maandag 14 mei 2018

ZUID-AFRIKA RONDREIS. 'THE BIG FIVE'. (DEEL 1)

   WILD ZUID-AFRIKA RONDREIS.

            'THE BIG FIVE' (1)



ZUID-AFRIKA.

Officieel de Republiek Zuid-Afrika.
Het land wordt begrenst in het westen door de Atlantische Oceaan en Namibië; in het noorden door Botswana en Zimbabwe; in het oosten door Mozambique, Swaziland en de Indische Oceaan.
Het land heeft een oppervlakte van 1.221.037 km².
De bestuurlijke macht is gevestigd in Pretoria, de wetgevende macht in Kaapstad en de rechterlijke macht in Bloemfontein.
De bevolking is voor 75,5% christen, 21,1% geen of onzeker en 3,4% stammengeloof.
In Zuid-Afrika ligt het koninkrijk Lesotho.
het land kent verschillende talen, waarvan Zuid-Afrikaans en Engels de belangrijkste zijn en verder het Ndeble, Noord-Sotho, Swazi, Tsonga, Tswana, Venda, Xhosa, Zoeloe en het Zuid-Sotho.
Het land heeft zeven grote rivieren: De Vaal rivier die samenvloeit in de Oranjerivier welke de langste is en ontspringt in de Drakensbergen en stroomt naar het westen om uit te stromen in de Atlantische Oceaan; 

Blyde rivier welke door de canyon van de Drakensbergen stroomt, de twee na grootste canyon van de wereld; 
Sabie rivier stroomt van Mpumalanga tot Mozambique en door het Kruger Park; Great Kei rivier beginnend waar Swart-Kei en Wit-Kei samenkomen in de Oost-Kaap en uitmond in de Indische Oceaan; Breede rivier stroomt van West-Kaap naar de Indische Oceaan; Olifants rivier stromend door het Kruger Park naar Mozambique en uitmondend in de Indische Oceaan; Boesmans rivier welke stroomt van de Oost-Kaap naar de Indische Oceaan.


INDELING ZUID-AFRIKA.

Zuid-Afrika in onderverdeeld in negen provincies.
1. West-Kaap met de hoofdstad Kaapstad en een oppervlakte van 129.462 km²
2. Noord-Kaap met de hoofdstad Kimberly en een oppervlakte van 372.889 km².
3. Oost-Kaap met de hoofdstad Bhisho en een oppervlakte van 168.966 km².
4. KwaZoeleoe-Natal met de hoofdstad Pietermaritzburg en een oppervlakte van 94.361 km².
5. Vrijstaat met de hoofdstad Bloemfontein en een oppervlakte van 129.825 km².
6. Noordwest met de hoofdstad Mafikeng en een oppervlakte van 104.882 km².
7. Gauteng met de hoofdstad Johannesburg en een oppervlakte van 18.178 km².
8. Mpumalanga met de hoofdstad Nelspruit en een oppervlakte van 76.178 km².
9. Limpopo met de hoofdstad Petersburg en een oppervlakte van 125.754 km².

De kleinste provincie is Gauteng maar heeft met 12.272.263 het grootste aantal inwoners. De grootste is Noord-Kaap met het laagste inwoners aantal 1.1435.861.

GESCHIEDENIS IN HET KORT. 

Zuid-Afrika kent een lange geschiedenis. De eerste Europeaan die er kwam was de Portugees Bartolomeu Dias die in 1488 Kaap de Goede Hoop ronde. het gebied werd echter niet door de Portugezen gekoloniseerd. Het waren de Hollanders die er met het schip 'Nieuw Haarlem' op de terugreis van Batavia naar Holland, schipbreuk leden en er een klein fort bouwden met de naam 'Zand Fort van die Kaap die Goede Hoop'. Op 1 april 1652 kwam Jan van Riebeeck aan bij de Kaap en het gebied werd snel een zich snel uitbreidende Hollandse nederzetting en bevoorradingspost voor de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC).


(Slag bij Muizenberg.)

In 1795 na de zeeslag bij Muizenberg kwam het gebied in handen van de Britten, welke het in 1803 weer terug gaven aan de Hollanders.
Slechts drie jaar later namen de Britten voorgoed bezit van de Kaap.
Het afschaffen van de slavernij leidde tot veel strijd met de Britten, bekend staand onder de naam 'Boerenoorlog'.




(De vlag onder het Britse Gemenebest 1910-1928.)

In 1910 werd de Unie van Zuid-Afrika gevormd, een onafhankelijke staat in het Britse Gemenebest en kreeg het de vlag van de Unie van Zuid-Afrika.


(Vlag van de Unie van Zuid-Afrika 1928-1994.)

In 1961 werd het land een republiek en werd de Britse vlag uit de witte baan verwijderd. De vlaggen van Oranje Vrijstaat en Transvaal bleven er in staan.
In 1994 werd het land de Republiek Zuid-Afrika onder de zelfde vlag. Deze zou na het opheffen van de apartheid en onder de eerste zwarte president van het land Nelson Mandela, na de eerste algemene verkiezingen in het land, weer veranderen.

Zuid-Afrika is enorm rijk aan delfstoffen met als bekendste goud en diamant.


DE VLAG VAN ZUID-AFRIKA.

De huidige vlag van Zuid-Afrika is op 27 april 1994 aangenomen.
De vlag een horizontaal een groene letter Y met links een gele rand met een zwarte driehoek en rechts een witte rand met boven de kleur rood en onder blauw.
Het rood in de vlag staat symbool voor het bloedvergieten in de vele strijd die het land heeft geleverd. Het blauw voor de twee oceanen, het groen voor de natuur, het wit voor hoop en de diamant, het geel voor het goud en het zwart voor de vrije bevolking.

(Marinevlag van Zuid-Afrika.)

Zuid-Afrika omringt aan drie zijden door het water van de oceanen heeft natuurlijk een marine met een eigen vlag.
De vlag bestaat uit een wit veld en in vier gelijke vakken verdeeld door een groen kruis.
In het linker boven kanton staat de nationale vlag afgebeeld.


WAPEN VAN ZUID-AFRIKA.

Het huidige wapen van Zuid-Afrika is in 2000 in gebruik genomen om het wapen uit 1910 te vervangen. Het is het vierde wapen van het land.
In het schild de afbeelding van de zwarte bevolking met daarboven twee traditionele wapens en groene bladeren. In een driehoek de kleuren van de huidige vlag en tussen de vleugels een kop van de zeearend met daarboven de zon.
Om het schild korenaren en twee slagtanden van een olifant.
In het groen onder het geheel de wapenspreuk "ke e: /xarra // ke" in de Khoisan-taal van het Xam-volk, wat betekend "Verscheidene volken verenigd".


'THE BIG FIVE".

Met "The Big Five" worden bedoeld de meest gevaarlijke dieren uit de Afrikaanse wildernis;
de Buffel, de Afrikaanse Olifant. de Afrikaanse Leeuw. het Luipaard en de Zwarte Neushoorn.
Al deze dieren komen voor in het Nationaal Kruger Park in het noordoosten van Zuid-Afrika, op de grens van Zimbabwe en Mozambique.





                                         (Zie vervolg; Wild Zuid-Afrika Rondreis deel 2.)


 

dinsdag 8 mei 2018

SAUROMATUM VENOSUM. WAT IS DAT?

     

       EEN APARTE BLOEM 

MET EEN VRESELIJKE GEUR.




SAUROMATUM VENOSUM.

Enige weken geleden kreeg ik deze droogbloeier knol van een kennis met de mededeling hem niet in de kamer te laten uitspringen. 
Deze raad opgevolgd en me zelf afgevraagd waarom dan niet binnenshuis. 
De knol in een pot gezet met wat potaarde achter op het terras in de tuin en heden ochtend kwam ik er achter, wat mij door de kennis was aangeraden. Er hing een zeer zware lucht en een gierput achter op het terras. Nu woon ik landelijk en kan soms mee genieten van het bemesten van de landerijen voor het ploegen en inzaaien van de mais. Dit was reeds enige weken geleden gedaan en dus was het de vraag waar deze lucht vandaan kwam.
De Sauromatum venosum stond fraai in bloei en werd omringt door een enorme zwerm vliegen die op de geur waren afgekomen.
Het leek wel of er een beerput was opengetrokken en de knol is verhuist naar het verre uiteinde van de tuin.

De Sauromatum venosum wordt ook wel de 'Voodoolelie' genoemd.
Het is een knolgewas met een opgaande stengel met alleen staand blad. Het is een eendags bloeier.
Het apart gevormde groene blad heeft paarse vlekken wat de plant haar meerwaarde geeft.

De plant heeft een aronskelk gevormde bloem en een sterke geur die vliegen aantrekt welke voor de bestuiving zorgen.
Na de bloei ontstaat in het hart een bol gevuld met bessen welke kunnen worden uitgezaaid en vrij snel ontkiemen.
De bol is winterhard tot minus 10 graden Celcius.













dinsdag 1 mei 2018

OLIESTOKER; WAT IS DAT?

ZWARE OLIE ALS BRANDSTOF 

IN PLAATS VAN STEENKOLEN.


OLIESTOKER.

De uitdrukking oliestoker dateert uit de tijd dat en nog schepen waren, waarvan de stoomketel werd gestookt met steenkolen en andere waren overgegaan op het stoken van olie.

Voordelen hiervan zijn: 
1. Hogere verbrandingswaarde; 
2. Eenvoudige bediening dus minder personeel; 
3. Gemakkelijke regeling van de stoomproductie bij het manoeuvreren; 
4. Minder roetvorming in de ketelinstallatie; 
5. Hoger rendement door gelijkmatige verspreiding van de hitte in de vuurgangen of vuurhaard; 
6. Geen vorming van as en sintels, dus geen vuren schoonmaken en aswippen.
7. Gemakkelijk aansteken en doven van de vlam bij tijdelijk gestopte voortstuwingsmachine;
8. Gemakkelijk te laden in de brandstoftanks zonder stof.
9. Gemakkelijke berging in grote hoeveelheid.
10. Geen roosterbaren met slijtage en vernieuwing hiervan.
11. Minder rookvorming.

Met opkomst van de oliestook aan boord van de stoomschepen, verdwenen ook het grote aantal schoorstenen die zwarte rookwolken uitbraakten.


Het aan boord nemen van de stookolie (bunkeren) kan op twee manieren geschieden: via aan walinstallatie of via een bunkerscheepje (lichter).
Bij tankschepen mag dit alleen als het schip haar lading heeft gelost en alle open verbindingen met de ladingtanks zijn gesloten. Bij vracht- of containerschepen gebeurt dit gewoon tijdens het laden of lossen van de lading.

In het volgende schema gaan we uit van een  waltank of een lichter tot aan de olistookinstallatie:


A. Het olie laadstation aan de wal of uit een lichter.
B. Voorraadbunker aan boord. Meestal twee op het achterschip en twee op het voorschip, waarvan een aan bakboord zijde en een aan stuurboordzijde. Ook bestaat bij sommige schepen de mogelijkheid de brandstof in de dubbelbodems op te slaan.
C. Transportpomp.
D. Dag- of bezinktanks (settlingtanks).
E. Zuigfilter.
F. Brandstofpomp.
G. Brandstofvoorwarmer.
H. Persfilter.
J. Oliebranders met luchtregisters. 
note; Tussen de brandstofvoorwarmer en de oliebranders is een hogedruk brandstofpomp geplaatst.
Alle filters, voorwarmers en pompen zijn dubbel uitgevoerd.

Alle tanks en bunkers zijn voorzien van stoomverwarmingsspiralen, die de olie op een dusdanige temperatuur houden dat ze voldoende vloeibaar is om te kunnen verpompen.
Met een transportpomp wordt de olie vanuit de bunker naar de bezinktanks gepompt, waarvan er meestal twee zij geïnstalleerd en in feite in de bunkertank hangen. Deze tanks moeten regelmatig worden afgetapt om er zeker van te zijn dat er geen water in aanwezig is.
Van de bezinktanks wordt de olie verpompt naar de dagtank, waarvan soms ook twee aanwezig en de afmetingen dusdanig zijn dat zij het brandstofverbruik voor een etmaal kunnen bevatten.
Al deze tanks worden regelmatig op water gecontroleerd. Dit water kan meegevoerd zijn in de te nemen brandstof of door een lekkage in het verwarmingssysteem in de tank.
De dagtanks worden om beurten leeggezogen door de stookpompen. Is de dagtank zo goed als leeg , dan wordt er overgegaan op de andere dagtank na controle of er geen water in zit, waarna de lege dagtank weer wordt opgevuld uit de bezinktank. Door het verwarmen van de brandstof, tussen de 50 en 60 graden C. zal de olie zich verdunnen en het vocht wat erin zit naar de bodem van de tank zakken.


(Een ketelfront met vier automatische branders.)


Uit de dagtank wordt, door een zuigfilter, de brandstof door de stookpomp door de voorwarmer gepompt waarna deze een temperatuur heeft van tussen 120 en 160 graden C., hierdoor kan ze goed dun vloeibaar de branders in het ketelfront bereiken.
Deze branders (verstuivers) zijn zodanig ingericht dat ze de brandstof, vermengd met lucht of stoom, in fijn verdeelde toestand in de ketel spuiten. Daartoe zijn ze centraal geplaatst in een luchtregister, dat de doelmatige luchttoevoer regelt. Van de verstuivers zijn de drie belangrijkste uitvoeringen: de drukverstuivers, de stoomverstuivers en de mechanische verstuivers.

(Drukverstuiver.)

Bij de drukverstuiver wordt de brandstof door de houder, een ronde stalenpijp, en de verdeelplaat, door middel van tangentiaal aangebrachte sleuven in de wervelkamer gevoerd. Hierin wordt de olie in snelle rotatie gebracht, om tenslotte door het spuitgat, in fijn vernevelde toestand in de vuurhaard te worden gespoten.
Bij stoomverstuivers worden stoom en olie gescheiden in de meng- en wervelkamer toegevoerd. Hier worden stoom en olie met elkaar vermengd, om daarna door de spuitkop in fijn vernevelde toestand in de vuurhaard geblazen te worden. Wordt nu de brander terug getrokken uit zijn werkende positie, bij te veel stoomproductie, dan spuit de stoom de verstuiver schoon.
De mechanische brander bestaat uit een trommel waarin de olie wordt toegevoerd. Deze trommel wordt door een lucht turbine of elektromotor in snelle rotatie gehouden. Aan de rand van de trommel gekomen, wordt de olie in fijne druppels in de vorm van een kegel afgeworpen. De verbrandingslucht ontvangt van schoepen een draaiing, tegengesteld aan die van de trommel.

het ontsteken van de brandstof in de vuurhaard geschiedde vroeger met een toorts. Tegenwoordig wordt dit elektrisch gedaan. De branders kunnen bij eventuele verstopping gemakkelijk in hun geheel worden vervangen om schoongemaakt te worden. Hiervoor zijn op de stookplaats altijd enige reserve branders aanwezig. Het trekken van de branders geschiedde vroeger met de hand, maar dat gaat tegenwoordig mechanisch.


zondag 29 april 2018

LOGGER; WAT IS DAT?

           EEN SCHEEPSTYPE,

       DAT ZO GOED ALS TOT 

    HET VERLEDEN BEHOORT.


LOGGER.

De logger is ontstaan rond 1866 als snel kustvaartuig in het gebied van het Engels-Kanaal.
De oorsprong van dit scheepstype komt van de Franse kust aan het Engels-Kanaal en wordt gekenmerkt door de steile stevens, een gestrekte rompvorm, veelal een V-vormig spant en één-, twee-, of driemasttuig met loggerzeilen.
Het scheepstype werd in Nederland geïntroduceerd voor de vleetvisserij op haring.


(Vlaardinger zeillogger.)

De 18e eeuwse logger werd gebruikt voor de kusthandel, smokkelvaart en douanediensten.
Er hebben enkele loggers in dienst van de Nederlandse zeemacht gevaren.
In de 19e eeuw kwam de logger pas goed in gebruik voor de drijfnetvisserij.
Als vissersvaartuig werd hij in in Nederland  in 1885 ingevoerd door de Scheveningse reder Adriaan Eugene Maas, ter vervanging van zijn trage en plompe boomschuit. Hij liet daarom in Boulogne sur Mer in Frankrijk een ranker en dus sneller visvaartuig bouwen naar een Frans scheepsmodel dat daar 'lougre' werd genoemd. Dit schip had een lengte van 17 meter; breedte 5,55 meter en een holte van 2,4 meter.
De eerste Nederlandse logger werd te Vlaardingen gebouwd in 1866. De Vlaardinger zeillogger voerde al gaffelzeilen aan drie masten. De volgende loggers werden getuigd met een tweemast kottertuig, waarvan de voorste mast strijkbaar was. De eerste stalen logger werd eveneens in Vlaardingen gebouwd, ze had een rechte verticaal staande voorsteven met ronde voet en overhangend achterschip met rond hek. het grootspant had een ronde dwarsdoorsnede en de geheel gedekte romp had een vrij hoge kop.
het kitstuig was samengesteld uit een grote mast met een grootzeil, een gaffeltopzeil, een stagfok en een kluiver op een kluiverboom. De bezaansmast voerde een bezaanzeil met een gaffel topzeil.

De eerste Scheveningse logger had een tuigage in de de vorm van een masttuigage en emmerzeilen zoals in Frankrijk veel in gebruik was. Dit soort tuigage werd al snel door de Nederlandse visserij vervangen voor een kottertuig: een voor- of fokkenmast en een bezaansmast, beide met gaffelzeilen.
Uiteindelijk was en geen scheepstype waaraan in de loop der jaren zoveel is veranderd.

Verklaring van de cijfers: 1. Emmer- of loggerzeil; 2. Druiltopzeil; 3. Druil; 4. Voor- of fokkenmast; 5. Bezaansmast; 6. Giek.



(Motorlogger Katwijk 79.)

Sedert 1908 werden de loggers gaandeweg met een hulpmotor uitgerust.
De laatste zeillogger verdween in 1930. De afmetingen waren toen: lengte 20,4 meter; breedte 5,6 meter en holte 2 meter.
Met de jaren werden veel stalen loggers verlengd tot 30 à 35 meter en verbouwd tot motorschip. 
het motorvermogen, dat voor de vleetvisserij gering kan zijn, bedroeg 80 pk.
Later bestond de behoefte om ook gedurende de winter maanden het schip in de vaart te houden door het te laten trawlen. Een logger met een daarbij geschikt motorvermogen van meer dan 150 pk, wordt daarom trawlogger genoemd.

(Waterland-haringlogger.)

De bemanningssterkte van een logger bedroeg 15 à 15 koppen. het vaartuig is in de Nederlandse visserij nagenoeg verdwenen, omdat de vleetvisserij seizoenvisserij is en bovendien een passieve visserij.
De haringvisserij wordt thans uitgeoefend door trawlers.






De indeling van de logger was geheel afgestemd op de vleetvisserij: die betrof het vangen, verwerken en aanvoeren van de gepekelde haring. Tevens moest men er rekening mee houden dat de bemanning soms wekenlang aan boord zou verblijven. het kaken van de haring, pekelen en in vaten verpakken gebeurde hoofdzakelijk op het open dek. 
In de laadruimen werden voor de heenreis met zout gevulde tonnen opgeslagen. Op de terugreis was in het zelfde ruim de gepekelde haring in tonnen opgeslagen. Voor vier tonnen haring werd standaard één ton zout gebruikt.

LOGGERZEIL.

Een loggerzeil is een trapeziumvormig razeil, dat zowel langsscheeps als dwarsscheeps kan worden gebruikt. Het kwam veel voor op de vissersvaartuigen, kleine koopvaarders en oorlogsschepen, in het bijzonder in Frankrijk, Engeland en België. Het lijkt veel op het emmerzeil en wordt soms ook zo genoemd in Nederland, maar de hals van het loggerzeil is bij de voet van de mast vastgezet en niet bij de voorsteven.

(Motorlogger.)

De ra wordt aan het val opgehangen op 1/3 of 1/4 van haar lengte. Omdat het voorlijk korter is dan het achterlijk steekt de ra min of meer steil de hoogte in. Zij is aan de mast verbonden door een loopring of traveller. maar er is geen piekval.
Soms werd het zeil gevoerd met een vaste giek, maar er werd ook wel een tijdelijke giek gebruikt. Het voorlijk werd strak getrokken door een boeilijn of naar voren gedrukt door middel van een boom of vargord. Er waren doorgaans twee riffen in het zeil. Bij het overstag gaan moest het worden gestreken en aan lijzijde van de mast worden gehesen.


maandag 23 april 2018

PAARDENBLOEM.

MOOI OM TE ZIEN IN HET VELD, 

MAAR EEN VLOEK VOOR 

DE SIERTUIN EN GAZON.




PAARDENBLOEM.

De paardenbloem (Duits - Kuhblume, Engels - Dandelion); familkie van de Composite met de Latijnse naam Taraxacum officinale, is een algemene plant welke wortelrozetten vormt van hakelig ingesneden bladeren.
Uit elke rozet schieten een aantal holle stengels op, waarin een melkachtig sap zit.
De bloeiwijze is een alleenstaand bloemkorfje dat na bestuiving verandert in een grijswit bolletje.











Elk vruchtje is voorzien van een gesteeld pluimpje van ongeveerde haren. De wind voert deze parachutes met zich mee; elk kind weet dat je de pluisjes van een paardenbloem ver weg kunt blazen
Paardenbloemen werden vroeger gebruikt als geneesmiddel voor aandoeningen aan de maag, de galblaas en als urine-drijvend middel. De bittere wortels worden nog steeds verzameld; men maakt er een koffiesurrogaat van, na ze te hebben gedroogd en tot poeder te hebben vermalen.
De jonge bladeren zijn eetbaar als sla; er zitten veel vitamines in. Van de bloemkorfjes wordt ook wel wijn gemaakt.


De paarde bloem kan een hoogte bereiken van 35 cm en de bloeitijd is van begin april tot einde augustus. De paardenbloem gaat alleen bij volle zon open.


DE VLOEK.

In de vroege ochtend bij het eerste daglicht is het weideland nog geheel groen, maar zodra de zon doorbreekt kleurt het geheel geel geel door de duizenden bloemen. Het is zonder meer een mooi gezicht. 
Maar de ellende van de mooie begint zodra de bloemen zijn uitgebloeid en de zaadjes als miljoenen kleine parachutes door de wind worden meegevoerd en een voedingsbodem vinden in de siertuin en het gazon. Ze weten snel wortel te schieten en zijn alleen te verwijderen door ze met wortel en al uit te steken. Blijft en een stukje van de wortel in de grond zitten, dat schiet de plant wederom uit.

De bladeren van de paardenbloem worden als voer gebruikt voor de konijnen. Koeien, schapen en geiten eten ook  van de deze plant, maar vreemd genoeg grazen de paarden er omheen.

RUBBERINDUSTRIE.

In de Sovjet-Unie heeft men getracht om uit de paardenbloemen rubber te fabriceren. Men had hiervoor speciale landbouwwerktuigen en fabrieken gebouwd. In het begin van de WO-II had men reeds velden met deze bloemen met een grote van 67.000 hectare. Bij een goede oogst voorzag de bloem in 30% van de rubberbehoefte van het land. Eén hectare leverde 150 kilogram aan rubber.
Door de opkomst van synthetisch rubber ging de betekenis van de paardenbloementeelt voor de productie van rubber verloren.

 



vrijdag 13 april 2018

KOF OF KOFSCHIP.

 

  EEN NAAM MET DE 'K' 

     VAN KUSTVAARDER.


KOF OF KOFSCHIP.

Kof ook kofschip genaamd is een kustvaarder die in de loop van de 18e eeuw tot in het midden van de 19e eeuw in Nederland, België en Duitsland in de vaart was en de plaats innam van de fluit en het katschip.
Het type is ontstaan in Nederland waar het vooral in Friesland en in Groningen werd gebouwd.

Kofschip.
1. Roef.
2. Zwaard.
3. Grote mast.
4. Grootzeil.
5. Marszeil.
6. Bramzeil.
7. Boegspriet.
8. Kluiverboom.
9. Stagfok.
10. Kluiver.
11. Buitenkluiver.
12. Jager.
13. Bezaansmast.
14. Bezaanzeil.



In de 19e eeuw bouwde men ook koffen in Duitsland en België. De kof was een zwaar gebouwd schip met een vrij sterke zeeg en met een lengte / breedte verhouding van 3 : 1.
Voor- en achterschip waren rond. het doorlopend dek was op het achterschip afgesloten door een paviljoen, waaronder zich de kajuit bevond. Tussen beide masten stond een dekhuis.
Door hun volle vorm hadden deze schepen een grote drift en zij voerden daarom zwaarden.
In 1735 werd door een Friese scheepsbouwer, Hylke Janszoon Kingma, een dieper koftype gebouwd waarvan het achterschip vrij sterk en het voorschip licht gepiekt waren. Deze koffen voerden geen zwaarden meer. 
Schoenerkof.
1. Roef.
2. Fokkemast.
3. Schoenerzeil.
4. Fok.
5. Marszeil.
6. Bramzeil.
7. Bovenbramzeil.
8. Boegspriet.
9. Kluiverboom.
10. Jaaghout.
11. Spaanse ruiter.
12. Voorstengestagzeil.
13. Kluiver.
14. Buitenkluiver.
15. Grootstengestagzeil (vlieger); 16. Grote mast; 17. Grootzeil; 18. Gaffeltopzeil;
19. Lijzeilen. (gestippeld); 20 Rederijvlag; 21. Naamwimpel; 22. Nationale vlag.


De tuigage bestond uit een vrij groot anderhalfmasttuig. Op de boegspriet met jagerboom werden kluivers en een jager gevoerd. Aan de grote mast werden volgende zeilen bijgezet: een stagfok, een grootzeil met gaffel en boom, een topzeil en een boventopzeil. Soms werd ook een breefok gevaren.
De bezaansmast was met een  klein bezaanzeil getuigd.
In de 19e eeuw werd op veel schepen een schoenertuig geplaatst. Bij deze schoenerkoffen werden drie voorzeilen gevoerd; aan de voorste mast vier razeilen, een schoenerzeil en een vlieger.
Aan de achterste mast werd het oude bezaanzeil, nu grootzeil, vergroot en aangevuld door een gaffeltopzeil.
Deze schepen hadden ook een lengte/breedte verhouding: 4,4 : 1. Het laadvermogen van de koffen schommelde tussen 100 en 300 ton, de lengte tussen 16 en 30 meter.
De kof en de galjoot worden dikwijls met elkaar verward.


                                                                           








dinsdag 3 april 2018

SAWA. TERRASBOUW, BEWERKING EN PRODUCTIE.

HET CULTIVEREN VAN EEN HEUVELACHTIG GEBIED VOOR DE LANDBOUW.

TERRASBOUW.

Een terras in de landbouw is een afgevlakt stuk grond in een heuvel- bergachtig gecultiveerd gebied met als doel bodemconservering door het vertragen of tegengaan van de versnelde oppervlakte afstroming van irrigatiewater of regen water.
Deze grond is vaak onderverdeeld in meerdere terrassen, wat resulteert in een getrapt aanzien.
Deze vorm van landbouw voor de voedselvoorziening was reeds bekend bij de Inca's in Peru die rechte terrassen bouwden of gedraaid in een spiraalvorm naar beneden, met stenen wanden.


Een heel andere vorm van terrassenbouw komen we tegen op het eiland Bali (Indonesië), waar deze terrassen voorkomen op een hoogte van 1600 meter boven de zeespiegel en ze de vorm van de berghelling volgen, waardoor ze grillige vormen en verschillende oppervlakten hebben.
Het is een spectaculaire vorm van agricultuur die het vaak een beeld geeft van groene traptreden die langzaam naar de hemel opklimmen.
Deze vorm van cultuur komt men ook tegen in de Filipijnen en China.
Deze vorm van terrasbouw wordt in Indonesië  de sawa genoemd.
Het verschil met de terrasbouw van de Inca's, is dat men hier geen gebruik maakt van gestapelde stenen stenen muurtjes maar van aarden wallen en kleine smalle dijkjes.
In Europa kennen we een soort van terrasbouw in de druivencultuur op de hellingen van de rivieren in de wijnbouwgebieden.

SAWA TERRASBOUW.

Een sawa of sawah terras wordt niet achteloos tegen een berghelling aangelegd. De stand van de zon op deze helling is van groot belang voor de groei van de gewassen.
Voor de aanleg van deze terrassen wordt eerst de begroeiing van de helling gekapt en verbrand, waarna deze terrassen met de hand worden aangelegd door grote groepen agrarische communies onder toezicht van opzichters die weer verantwoording af dienden te leggen aan de heerser van het gebied. Men begon onder aan de helling met het afvlakken van het eerste deel en gebruikte de weggenomen aarde om daarmee de dijkjes rond het deel aan te leggen, welke later het water dienden tegen te houden bij het onderwater zetten van de gecultiveerde grond.
Volgend de vorm en glooiing van de helling ontstonden er grillige vormen.


Technisch een ingewikkeld, gecompliceerd delicaat werk, waarbij een zeer kundige kennis nodig was voor een goed watersysteem voor de bevloeiing van de terrassen.
Zonder meer was men afhankelijk van de regenperiode voor de bevloeiing van de sawa, maar men schrok er niet voor terug om een waterrijke bron langs de helling om te leiden en het water door middel van kleine sluisjes en kanaaltjes over de sawa's te verdelen.

Was een bepaald deel van de terrassen niet via een kanaaltje te bereiken, dan maakte men weer gebruik van de grote dikke stelen van de bamboe, welke men in de lengte door midden spleet , de dammetjes er uit verwijderde en het water er door liet stromen.
Zo verbouwde men reeds meer dan 2000 jaar rijst op deze terrassen.


Het onderhoud van deze terrassen is arbeidsintensief werk.
Bij zware regenval kunnen door het overstromen van de terrassen de dijkjes doorbreken. Maar de dijkjes zijn niet alleen om het water tegen te houden, er wordt ook over gelopen door de bewerkers van de sawa. Om ze stevigheid te geven laat men ze daarom vol groeien met een kort grassoort, de wortels hiervan houden de aarde vast.
Het is te danken aan het ingenieuze bewateringssysteem, dat men op sommige hellingen twee tot drie rijstoogsten per jaar heeft. 



BEWERKING EN PRODUCTIE.

De bewerking en productie van gewas op deze terrassen is veel intensiever, dan op de grotere vlakke sawa's. Op deze kleine percelen is het zelfs heden ten dagen nog steeds handarbeid.

Alvorens men er toe kan overgaan om het gewas te zaaien of te poten moet de grond omgeploegd worden. Nog nog gebeurt dit op de ze percelen met behulp van een span ossen voor een kleine ploeg bestuurd door de boer. Met een soort hark maakt men daarna het bodemoppervlak zo glad mogelijk.
In een klein perceel of een hoek van een groter perceel heeft men de nieuwe rijstplantjes in gezaaid om deze later in het omgeploegde perceel te poten. Deze werkzaamheden gebeuren over het algemeen in samenwerking van de dorpsbewoners. Is men meer kapitaal krachtig, dan heeft men gezamenlijk een kleine motorploeg in gebruik.




Het planten van de jonge rijstplantjes is zuiver vrouwen werk, die in een mandje de kluit jonge platjes bij zich hebben en deze in de natte boden poten in keurige rijen. 
Ook dit gebeurd over het algemeen in grote groepen vrouwen. Volgens de oude Balinese gebruiken, mag de vrouw bij deze arbeid niet ongesteld zijn.
Het water blijft op het perceel staan totdat de rijst volle vrucht draagt en geoogst kan worden.
Overvloedig water wordt afgevoerd door een smalle breuk in de dijk te maken of er een bamboe afvoerpijp in te steken.

Het overtollige water zal dan afgevoerd worden naar percelen, daar waar het water weer nodig is om de rijst te laten groeien.
Doordat men twee tot drie oogsten per jaar van deze terrassen kan oogsten, hebben deze hellingen ook een steeds variërend aan zicht, van spiegelend water. lichtgroen van de jonge aanplant, donkergroen van de volwassen plant en goudgeel van de rijpe aren aan de planten. 
Zo kan een sawa terras er in enige maanden heel anders er uit zien.



DE OOGST.

Het oogsten van de rijst op de sawa gebeurt als deze rijp is en men het water heeft laten weglopen van het perceel. Het oosten is weer een gemeenschap gebeuren en meestal ook het werk van de vrouwen en de mannen tezamen.
Op deze percelen kan men geen dorsmachines gebruiken en wordt het oosten nog met de sikkel gedaan.
De geoogste rijsthalmen worden in kleine schoven samengebonden en naar een centrale plaats gebracht om ze uit te slaan.




De geoogste rijstkorrel wordt hierna  in zakken naar een droogplaats vervoerd, waarna men het kaf van de korrel verwijderd.

Een geoogste sawa ziet er uit als een stoppelveld. Vaak verbrand men op het terras de resten van de halmen om deze later als bemesting om te ploegen. Het omploegen gebeurd dan pas als de stoppels verrot zijn door het onder water zetten van het terras. Hierna begint de cyclus van voren af aan weer.


ONKRUID EN ONGEDIERTE BESTRIJDING.

Onkruid wordt als de rijstplanten nog klein zijn met de hand verwijderd en vaak in een hoek onder begraven om als compost te dienen.
Uiteraard is een natte sawa en geliefde bron van water ongedierte.
Veel boeren gebruiken zolang als er water op de sawa staat goudkarpers om dit ongedierte op te eten, waarna deze vissen zelf uiteindelijk in de pan zullen verdwijnen na een tijd in schoon helder water te hebben doorgebracht om de grondsmaak te verwijderen.
Een andere oplossing is het houden van eenden, welke met een hoeder van perceel naar perceel trekken, om het ongedierte en algen op te eten. Ook zij verdwijnen na gedane arbeid en vetgemest in de braadpan.


Het gebruik van chemische kunstmest en bestrijdingsmiddelen tracht men zoveel mogelijk te voorkomen daar ander het grondwater, wat hier nog in veel huishoudens wordt gebruikt, hiermee vervuild wordt.

TRADITIE.

In enkele dorpen in het binnenland wordt de rijst nog op traditionele wijze gedroogd.
De aren worden gebundeld tot een stevige bos, waarna ze op het erf met de stelenbundel naar beneden, gedroogd wordt.
Na het drogen worden de bundels in een droge ruimte opgehangen.