vrijdag 17 november 2017

KRABBELAAR. WAT IS DAT?

           EEN VAARGEUL 

            UITBAGGEREN 

              MET BEHULP 

           VAN HET GETIJ.


KRABBELAAR.


Voorbeeld van een krabbelaar voorgetrokken door een roeiboot anno 1753.






Een krabbelaar is een werktuig of machine om hard zand en modder, stenen en vuil los te maken uit de bodem van een vaarwater of een havengeul ten einde dit te kunnen uitbaggeren of weg te spuien.
Sommige krabbelaars werden door het spuiwater zelf aangedreven. Ze bestonden uit een pont of boot, waarop een groot met tanden voorzien wiel stond opgesteld. Door het spuiwater werkten de tanden de grond van het vaarwater los.

Eenvoudige krabbelaars waren samengesteld uit enkele verticaal naast elkaar staande wielen met tanden die over de bedding werden gesleept door een boot of paarden (zie afbeelding boven).
Bij een ander systeem werd een soort eg of ploeg de grond losgewoeld. Dit werktuig werd door een boot of paard voortgesleept terwijl een opvarende de krabbelaar op gewenste diepte hield.
Krabbelaars werden in de 15e eeuw in Zeeland reeds gebruikt. Voor de afvoer van de losgekrapte bodemdelen werd gebruik gemaakt van eb en vloed.

Zware krabbelaars, die gebruikt werden in havens waar een groot verschil was tussen eb en vloed, waren getuigd met een zeil.













De krabbelaar kan worden beschouwd als de oervorm van de snijkop aan een moderne cutterzuiger.

Het hiernaast afgebeelde vaartuig is een moderne versie van de oude krabbelaar.
Hier wordt geen gebruik gemaakt van tanden om de grond los te maken, maar hoge waterdruk.
Het zwarte deel achter het vaartuig kan men laten afzakken tot op de boden van het vaarwater, waarna water met hoge druk naar buiten zal worden geperst en de waterstralen de bodem los spuiten.
Het vaartuig werd gebouwd bij van Oord.
Zie werking op https://youtu.be/JfVKrLYXiM
van Oord Water Injection.





donderdag 16 november 2017

NANSEN-WATERSCHEPPER EN KANTELTHERMOMETER.

             

                  OM DE TEMPERATUUR 

                         VAN WATER OP 

             GROTE DIEPTE TE METEN.


KANTEL- OF DIEPZEETHERMOMETER .

Ook wel omkeerthermometer genoemd. het is een glasthermometer, gevuld met kwik, waarmee op zeer grote diepten de temperatuur van het zeewater kan worden bepaald.
Het instrument bestaat uit een hoofdthermometer en een hulpthermometer welke wordt bevestigd op een waterschepper of op een frame dat tot kantelen kan worden gebracht, en zo aan een lijn onder water neergelaten. 
De meestgebruikte waterschepper is de Nansen-waterschepper.

NANSEN-WATERSCHEPPER.

1.  valgewicht.
2.  afsluiter.
3.  aftapkraan.
4.  omkeerthermometers.
5.  hefboom voor het in werking stellen van de afsluiter 2 en 9.
6.  cilinder, inhoud ca. 1 liter.
7.  bevestiging van het valgewicht 11.
8.  bevestiging aan de kabel.
9.  afsluiter.
10. beluchtingsventiel.
11. valgewicht.


(Kantelwaterschepper in actie.)

De waterschepper is een instrument waarmee onder de zeeoppervlakte op elke willekeurige diepte een watermonster kan worden genomen voor onderzoek in het laboratorium.
Het meest wordt de Nansen-waterschepper gebruikt.
Hiervan kunnen er verschillende tegelijk in geopende toestand, elk met een onder- en een bovenbevestiging, onder elkaar aan dezelfde lijn worden opgehangen. De waterscheppers worden in geopende toestand neergelaten.
 (1) Door een valgewichtje dat langs deze lijn glijdt wordt de bovenbevestiging aan de lijn losgekoppeld, waardoor de bovenste en zich sluit.
(2) Het valgewichtje glijdt langs de lijn tot de onderbevestiging en maakt hier een ander valgewichtje los, dat onderaan de bovenste waterschepper was gehangen. Door dit tweede val gewichtje wordt de volgende waterschepper tot kantelen gebracht.
(3) Nadat de hele serie waterscheppers is gekanteld, wordt de lijn opgehaald, waarna de waterscheppers aan dek worden afgetapt.  
       (1)       (2)           (3)

KANTELTHERMOMETER.


Beschermde kantelthermometer.

Links: rechtop tijdens het neerlaten.
Midden: in omgekantelde stand tijdens ophalen en het aflezen.
Rechts: onbeschermde kantelthermometer.

M = kwikreservoir.
V = hulpreservoir.
C = capillair.
E = zijtakje.
D = afbreekpunt.
L - winding.
S = temperatuuraflezing.
T = hulpthermometer.

Wanneer de thermometer op de gewenste diepte de temperatuur van het water heeft aangenomen, wordt hij door het valgewichtje gekanteld.
Hierbij breekt de kwikdraad in het capillair op een bepaald punt, waar zich een vernauwing bevindt. De hoeveelheid kwik boven het breekpunt, nu dus onder dit punt, geeft de temperatuur van het water aan.
De thermometer wordt in omgekeerde stand opgehaald. Op de van de schaalverdeling afgelezen waarde van de temperatuur moet alleen een kleine correctie worden toegepast voor de temperatuur tijdens het moment van aflezen. Op deze wijze kan de temperatuur met een nauwkeurigheid van ongeveer 0,02 graad celcius worden gemeten.
Om de thermometers onder water te beschermen bevinden zij zich in glazen hulzen die de druk opnemen. Thermometers die niet zo'n beschermende huls hebben geven een te hoge aanwijzing ten gevolge van het drukeffect. Hiervan maakt men gebruik door uit vergelijking tussen de aanwijzing van een beschermde thermometer, afkomstig van dezelfde diepte, de druk, dus de diepte, tijdens het kantelen te bepalen.

NANSEN.

Fridtjof Nansen was een Noors zoöloog, poolreiziger, diplomaat en filantroop. Hij maakte in 1888 een reis dwars door Groenland met hondesleden. Liet het poolschip de 'Fram' bouwen, dat in het poolijs omhoog gedrukt werd en niet gekraakt en bereikte in 1895 de Noordpool.
Hij ontving in 1922 de Nobelprijs voor de vrede.


woensdag 15 november 2017

KAMPERDUIN. LAATSTE BATAAFSE ZEESLAG.

LAATSTE ZEESLAG 

VAN DE 

BATAAFSE REPUBLIEK.

KAMPERDUIN.

Kamperduin is een plaats gelegen in de gemeente bergen in de provincie Noord-Holland. In het verleden heette deze buurtschap Camp of Kamp. Kamperduin ligt aan het strand van de Noordzee, precies op de scheiding van de Hondbossche Zeewering en de duinen.

BATAAFSE REPUBLIEK.

In 1795 werd Nederland door de Franse troepen bezet en riepen de Nederlandse revolutionairen de Bataafse Republiek uit en werd het een vazalstaat van Frankrijk. De Nederlandse marine welke noch steeds door Nederlanders werd bemand, werd door de Franse gezaghebbers gecommandeerd voor de Franse oorlogen op zee.

ZEESLAG BIJ KAMPERDUIN.

Twee jaar na het uitroepen van de Bataafse Republiek blokkeerde de Engelse vloot onder bevel van vice-admiraal Adam Duncan, Den Helder en Texel. Toen de blokkade vloot opdracht kreeg om naar Yarmouth te varen voor bevoorrading zagen de Nederlanders kans om uit te breken op last van de 'Commissie tot de Buitenlandse Zaken' onder bevel van vice-admiraal Jan Willen de Winter.

(De 'Venerable' breekt door de Nederlandse linie.)

Op de Noordzee ontstond op 11 oktober 1797 voor de kust ten noordwesten van Alkmaar, Kamperduin, een zeeslag plaats tussen 24 Britse en 25 Nederlandse schepen. De vloot bestond uit zestien linieschepen en verder lichtere bodems. Deze vloot was oorspronkelijk samengebracht voor de invasie in Ierland.
De Britten vielen aan met een strijdwijze die ook gebruikt zou worden bij de de zeeslag bij 'Trafalgar' in 1805.


(De 'Vrijheid' gereduceerd tot een wrak.)

Tussen Egmond aan Zee en Kamperduin kreeg De Winter, richting Den helder zeilende om te voorkomen dat de Britten zich tussen hem en zijn basis zouden plaatsen, op 11 oktober zicht van de hem reeds gemelde vloot van Duncan.
Door gebrek aan geoefendheid op de Bataafse vloot verliep het formeren van de slaglinie moeizaam en niet volgens plan. Onder meer kwam het vlaggenschip van J.A. Bloys van Treslong, die de voorhoede commandeerde, bij het centrum terecht in plaats van bij de voorhoede.
De Winter's toeleg om, dicht onder de kust varende, de Britten in een zodanige positie te brengen, dat zij bij een aanvalspoging gevaar zouden lopen aan lager wal te geraken, mislukte eveneens.
Het Britse schip de 'Venerable' wist met enige andere schepen door de Nederlandse linie heen te breken en viel met drie andere schepen 'De vrijheid' van vice-admiraal de Winter aan.
Het vlaggenschip van de Bataafse Republiek werd door hevige beschietingen in drie uur tijd tot een wrak gereduceerd.

(De 'Hercules' onder vuur van de 'Triumph'.)

In de daarop volgende gevechtsfase, in feite een serie vuurduels, soms gevold door entergevechten, woog opnieuw zwaar de betere training en verder ook de zwaardere bewapening met corronades  en bemanning van de Britse schepen.
Het resultaat was dat van de Bataafse vloot negen linieschepen en één fregat door de Britten werden veroverd. Hieronder was het Bataafse vlaggenschip, de 'Vrijheid'; De Winter werd krijgsgevangen gemaakt en de 'Jupiter'.
Het gros van de overige Bataafse schepen verzette zich met hand en tand, maar waren niet tegen de Britse overmacht opgewassen.



                                        (De 'Delft' in gevecht tegen Britse overmacht.)

De Britten wisten in een achtervolging de 'Delft', 'Alkmaar', 'Haarlem', 'Monnickendam'en 'Jupiter' te overmeesteren. De brandende 'Hercules' kwam midden in het gevechtstoneel terecht en dreigde in aanvaring te komen met de 'Brutus' van Treslong, die hierdoor verhinderd werd om De Winter te hulp te komen.

HET RESULTAAT.

(De Winter overhandigd zijn sabel aan Duncan.)


De Britten veroverden in totaal tien schepen. Aan beide zijden was het aantal doden en gewonden enorm. Onder de Britten vielen er 220 doden en 812 gewonden op een aantal van ongeveer 9000 opvarenden. Onder de Nederlanders 540 doden en 620 gewonden onder 7200 opvarenden.
Als resultaat van de zeeslag werd de Franse expeditie naar Ierland uitgesteld tot augustus 1798. waarna afgelast vanwege het slechte weer.
Diverse Bataafse bevelhebbers kwamen na de zeeslag voor een krijsraad. Een aantal van hen werd vrijgesproken omdat zij hun schepen dapper hadden verdedigd alvorens te strijken; anderen werden wegens lafheid tot soms zware straffen veroordeeld.
Jan Willen de Winter en zijn manschappen waren door de Britten gevangen genomen. In 1797 werden zij vrijgelaten, na de belofte nooit meer tegen de Engelsen te vechten. Bij zijn terugkeer werd hij op eigen verzoek berecht en van alle blaam vrijgesproken. Hij zou Johan Arnold Bloys van Treslong niet te hulp zijn gekomen. De krijgsraad beperkte zich echter uitdrukkelijk tot de beoordeling van zijn gedrag tijdens het gevecht. Treslong werd wegens plichtverzuim en ongehoorzaamheid uit dient ontslagen, zijn vlaggenkapitein Johannes Martinus Polders wegens nalatigheid en begane misslagen in rang verlaagd.
De Winter werd door koning Lodewijk bevorderd tot maarschalk, hij overleed in juni 1812.



Duncan werd 'Viscount of Camperdown', terwijl ook diverse van zijn onderbevelhebbers beloningen ontvingen.
Een speciale herdenkingsmunt werd on Londen geslagen. De Britse Royal Navy herdacht de zeeslag door vier schepen de naam HMS 'Camperdown' te geven en zeven de naam HMS 'Ducan'.

Deze slag kan gelden als de grootste overwinning, ooit door de Britten op de Nederlanders behaald.
Het was de eerste keer dat zij erin slaagden een Nederlandse opperbevelhebber gevangen te nemen.
Voor de Nederlandse zeemacht was dit gevecht de laatste belangrijke zeeslag met uitsluitend zeilschepen, en de enige grote zeeslag van de Napoleontische tijd.


vrijdag 10 november 2017

BATAAFSE VLAG EN FLOTTIELJE.

        NEDERLANDSE MARINE 

    EN VLAG TEN TIJDE VAN DE 

                                              BATAAFSE REPUBLIEK.


BATAAFSE REPUBLIEK.

De Bataafse Republiek (1795-1801) omvatte als republiek een groot deel van Nederland en werd uitgeroepen nadat stadhouder Willem V naar Engeland was gevlucht. Het grondgebied was gelijk aan dat ven de gewesten van de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Op 1 maart 1796 trad ook Brabant toe tot de nieuwe republiek.
De Republiek werd genoemd naar de Bataven, een Germaanse stam die ten tijde van Julius Caesar de Nederlandse delta bewoonde. In tegenstelling tot Frankrijk waar na de revolutie een schrikbewind en terreurregime heerste, stonden in de Republiek democratische principes hoog in het vaandel. 


BATAAFSE VLAG.


De Bataafse vlag werd in die tijd ook wel de Nationale vlag genoemd.
De vlag werd in maart 1796 ingevoerd als officiële vlag voor de marine als vervanging van de Statenvlag.

De kleuren van de vlag bleven na het uitroepen van de Republiek het zelfde als voorheen.
In het linker deel van de rode baan (hijszijde) werd een Jack geplaatst, het wapen van de Republiek.
Dit was een witte rechthoek of vierkant met daarin:


* de Nederlandse of Bataafse Maagd of Vrijheidsmaagd;
* de Nederlandse of Bataafse Leeuw;
* een speer, vastgehouden door zowel de Maagd als de Leeuw;
* en vrijheidshoed op de speer;
* een schild met daarop een fasces, vastgehouden door de Maagd;
* enig groen en loof als onder- en achtergrond.

*De Nederlandse Maagd is het zinnebeeld van het Nederlandse gemenebest. Een maagd als verpersoonlijking van een stad of land is een motief dat al in de oudheid op Griekse munten terug te vinden is. In deze heidense tijd werd de stedenmaagd vaal vergoddelijkt en dus als godin vereerd.
*De Nederlandse leeuw is een symbool in de heraldiek. Al in de vroegste heraldische werken komen leeuwen, symbolen van kracht, voor op wapenschilden. Tot op de dag van vandaag komen leeuwen in tientallen uitvoeringen en kleuren voor op wapenschilden van families, steden en landen.
*Een vrijheidshoed is een hoed die als symbool voor de vrijheid wordt gebruikt in onder andere schilderkunst, op wapenschilden en op munten. In sommige landen wordt de vrijheidsmuts gebruikt.
*De fasces zijn een oud Romeins symbool van het gezag van de hogere magistraten, in de vorm van een roedenbundel met bijl. 

BATAAFSE FLOTTIELJE.

Het Bataafse Flottielje bestaat uit lichte vaartuigen, transportschepen, enz, door de Bataafse Republiek ter beschikking gesteld voor een door Napoleon ontworpen landing op de Engelse kust.
OP 25 juni 1903 sloot het Staatsbewind der Bataafse republiek een verdrag met Frankrijk, waarin het zich verplichtte om bij de uitvoering van de voorgenomen invasie in Engeland behulpzaam te zijn met: a. 5 linieschepen en 5 fregatten, tevens transportschepen met een totale capaciteit van 25.000 man, waarvan 9000 Bataafse troepen, en 2500 paarden.


(Het Bataafse Flottielje.)

Deze 'eerste expeditie' moest zich bij Texel verzamelen; b. 100 kanonneerschoeners en 250 platboomde kanonneerboten; de laatste moesten gezamenlijk 36.000 man en 1500 paarden kunnen vervoeren
Later werd het voor deze 'tweede expeditie'te leveren materiaal, dat zich in Vlissingen moest verzamelen, gewijzigd tot 54 kanonneerschoeners, 216 kanonneerboten en 108 transportschepen.
Ondanks de uitgeputte staat van 's Lands geldmiddelen was de 'eerste expeditie' volledig uitgerust in december 1803, de tweede in het voorjaar van 1804. In de zomer van 1804 bereikten bijna alle schepen van de 'tweede expeditie' vlak onder de kust varende en met steun van Franse rijdende artillerie die over strand oprukte, ondanks heftige pogingen van de Britse vloot om dit te beletten, Oostende en Duinkerken.


(Het treffen tussen de Engelse en Hollandse vloot te Boulogne in 1805)

In het voorjaar van 1805 werden zij naar Boulogne en het in de nabijheid gelegen Ambleteuse gedirigeerd.
Ook deze opdracht kon ondanks Britse aanvallen; gevechten op onder meer 24-25 april en 17-18 juli, worden uitgevoerd.
De vernietiging van het eskader van Villeneuve bij 'Trafalgar' , op 21 november 1805, maakte het onmogelijk om het invasie plan uit te voeren.


(De slag bij Trafalgar.)

Niettemin besloot Napoleon eerst op 25 januari 1807 om de Franse en 'Koninklijk-Hollandsche' flottieljes te Boulogne uit dienst te laten stellen en te ontwapenen.
Daarop keerde tussen 1807 en 1809 het merendeel van de schepen van de 'tweede expeditie' naar Nederland terug.
De 'eerste expeditie' was intussen nooit verder dan Texel gekomen; het daar aan boord ingescheepte krijgsvolk werd reeds in het najaar van 1805 weer ontscheept.

De aanbouw, c.q. uitrusting van de oorlogsschepen, het huren van de transportschepen en het onderhoud van personeel en materieel voor het flottielje hebben de Bataafse Republiek en Koninkrijk Holland zeer veel geld gekost, alleen in de jaren 1803 en 1804 meer dan 12.200.000 gulden.
Daartegenover kon men als enig positief resultaat stellen dat krijgstucht en zelfvertrouwen die bij de Nederlandse marine ernstig hadden geleden, onder andere ten gevolge van de ongelukkige uitslag van de zeeslag bij Kamperduin en de gebeurtenissen in Noord-Holland in het jaar 1799, gunstig werden beïnvloed.




maandag 6 november 2017

SCHEURBUIK. WAT IS DAT?

EEN ZIEKTE DIE NIET ALLEEN BIJ

 ZEELIEDEN VOOR KWAM, 

MAAR ZELFS NU NOG VOORKOMT.




DE NAAM SCHEURBUIK.

Reeds in 1219 werd scheurbuik waargenomen gedurende de kruisvaart naar het 'Heilige land' en was zeer gevreesd. Zo werd deze kwaal in die tijd in het Middelnederduits 'schorbük' genoemd.
Dit woord komt uit het Scandinavisch; in het Oudnoors skyrbjgr, een samenstelling van: skyr - zure melk; bjgr - gezwel , oedeem. De ziekte werd toegeschreven aan het eenzijdige dieet tijdens lange zeereizen, maar kwam in de winter ook veel voor in het noorden van de Scandinavische landen.
In het Nederlands begreep men dit woord niet en om deze onbegrijpelijke klank zin te geven paste men het aan met de woorden als scheuren en buik. 
Zo beschreef aan arts Johan van Beverwijck (1594-1647) de ziekte als volgt: Pijn in de tanden, handen en voeten, armen en benen en het gevoel dat de buik lijkt te scheuren, en gaf het de naam 'Scheurbuyck'.


DE ZEEVAART.

Voor vertrek uit een haven werd het schip voorzien van al dat wat nodig was om een verre reis te gaan maken; reserve ra's, zeildoek, katrollen, touw, pek, kanonnen, kogels, kruit enz.
Het belangrijkste was uiteindelijk de lading, die de meeste ruimte innam, voor zowel op de heenreis als later op de thuisreis. De ruimten die dan nog overbleven waren voor het onderbrengen van de bemanning, die in aantal in die tijd de honderd wel overschreden.
Het foerageren van de voeding werd aan de scheepseigenaar overgelaten, waarbij deze duidelijk rekening hield met de kosten hiervan. Gezagvoerder, hoogste officieren en passagiers kregen zoal beter te eten dan de gewone bemanning. Zoet water werd ingeslagen in houten vaten, 
vlees kwam in gepekelde vorm aan boord en sommige groenten ingezouten in vaten.
Op het laatste moment werd het schip nog voorzien van levend vee en verse groenten voor het van de rede naar zee vertrok voor maanden of jaren.
De verse groenten en vlees gingen als eerste op en werd er overgestapt om alles wat ingezouten was in houten tonnen. Meel voor het brood geraakte vol met meelwormen, het drinkwater in de houtenvaten werd groen van de algen. Het enigste wat gedijde waren de ratten en het ongedierte aan boord.

ZIEKTE VAN DE SLECHTE LUCHTEN.

Al snel werd de ziekte geweten aan de slechte luchten aan boord.
In de koude gebieden en regenperiodes was de bemanning gedwongen zich onder te brengen onderdeks. Ruimten tussen de vaste lading en de kanonnen waar amper enige ventilatie was. Door lekwater was er altijd een laag water onderin het schip wat vocht verspreide en begon te stinken. Wassen van lichaam en kleding was alleen mogelijk met zeewater en werd ook niet te vaak gedaan. De ruimten stonken dan ook naar vuile lichamen en kleding. Oksels en liezen schuurden kapot door de door zeewater hard geworden kleding, die meestal uit zeildoek bestond, en veroorzaakte etterende wonden. Sanitaire voorzieningen ware er in het geheel niet. Het moet er dus gestonken hebben als in een beerput. Ook de geschutpoorten bleven tijdens de reis gesloten.
Deed dan eindelijk een schip vaste land aan om de drinkwatervaten te vullen en verse groenten en fruit in te slaan dan werden de zieken in korte tijd beter. Dan gingen de luiken aan dek open en kon er frisse lucht binnen komen. Men ging er dus van uit dat het aan de lucht lag, aangezien men toen nog geen kennis bezat over vitamine's.
Deze verklaring bleef stand houden tot ver in de 18e eeuw.

SCHEURBUIK.

Het verschijnsel van scheurbuik begon in algemeen met ontstoken tandvlees tot bloedens toe en met gevolg van het uitvallen van de tanden.







Verder kwam de huid vol rode vlekken te zitten die gingen opzwellen, stijve en pijnlijke ledematen, slapte en inwendige bloedingen.
Er was ondanks de naam scheurbuik geen sprake van een specifieke buikaandoening.
Door de lange reisduur werd deze ziekte onbehandeld en op lange termijn volgde daarop de dood. Zo kon de ziekte een gehele bemanning decimeren.

DE GENEZING.

Het was de Britse marinearts James Lind (1716-1794) die het pas in 1747 gedaan kreeg dat op de Engelse marineschepen citroensap werd verstrekt (dus vitamine C).
Hij toonde aan door zes groepen van twee patiënten een ander voedingssupplement te geven, waarbij de twee sinaasappels en een citroen kregen binnen zes dagen genazen, terwijl de overigen niet herstelden.
Het leverde de Engelse mariniers de bijnaam Limeys op.
Eerder had men een aftreksel van lepelblad, een geslacht van de Kruisbloemenfamilie, met jenever gebruikt.
De houdbaarheid van vruchten, sap en verse groenten was op lange reizen een probleem, maar halverwege de 18e eeuw kwam men er achter dat het regelmatig eten van het langdurig houdbare zuurkool het optreden van scheurbuik kon voorkomen.

Officieel komt sinds het begin van de 20e eeuw scheurbuik niet meer voor in Europa. helaas wordt het nog weleens vastgesteld bij iemand met een zeer onvolwaardig dieet. Ook hierdoor nu bij de hedendaagse jongeren.




zondag 5 november 2017

MALARIA EN DE KINABOOM.


EEN MIDDEL TEGEN DE ZIEKTE 

NA EEN STEEK VAN HET INSECT.



MALARIA.

Malaria of moeraskoorts is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door een steek van de malariamuggen.
Het woord malaria is afgeleid van het latijn voor 'slechte lucht', mala aria, en heeft betrekking op de overheersende geur in moerassen.
Kenmerkend voor malaria zijn de koortsaanvallen, gepaard gaande met koude rillingen en braken.
De meest gevaarlijke soort van deze ziekte is de malaria tropica. Door een beet van deze mug kunnen rode bloedlichamen verloren gaan, wat zal leiden tot bloedarmoede, een vergroting van de milt en zelfs verstopping van de bloedvaten in de hersenen, wat de dood tot gevolg kan hebben.
In bepaalde gebieden van Afrika en Verre Oosten raakt een groot deel van de bevolking vanaf de jeugd met malaria besmet. mensen die herhaaldelijke besmettingen overleven, kunnen langzamerhand een zekere weerstand opbouwen.
Voor malaria bestaand geen anti-vaccinatie. Bij het krijgen van de verschijnselen dienen deze direct met effectieve medicijnen bestreden te worden.
Het eerste middel tegen deze ziekte was kinine, een alkaloïde dat uit de bast van de kinaboom wordt gewonnen, en door de Spaanse jezuïeten uit Zuid-Amerika werd meegebracht naar Europa.

Malariamuggen gedijen goed in warme vochtige streken, maar is bij uitstek niet een tropische ziekte. Tot in de twintigste eeuw kwam malaria ook voor in de koude noordelijke streken van Europa en Noord-Amerika. Door de rigoureuze bestrijding van de mug is deze ziekte in de ontwikkelde wereld verdwenen.
Het verspreidingsgebied ligt nu voornamelijk in de derde wereld.
Het is niet het moerasgebied dat deze mug doet gedijen, maar vooral vervuild stilstaand water en open riolen zijn kweekvijvers voor deze mug. Het is dus vaak een gebrek aan goede infrastructuur en hygiëne.

KINABOOM.


De kinaboom, Latijnse naam Cinchona, is een altijd groen blijvende boom, waarvan er 38 soorten bestaan in de familie Rubiaceae. 
De boom vindt haar oorsprong in Zuid-Amerika en is door de ontdekkingsreizen uiteindelijk in India en het toenmalige Nederlands-Indië terecht gekomen, nadat de Spaanse jezuïeten dit geneesmiddel meebrachten naar Europa.

De naam komt waarschijnlijk uit de taal van de Quechua-indianen "kina kina", "schors der schorsen". Die dan ook op de hoogte moeten zijn geweest van de geneeskrachtige werking uit dit schors.
De botanische naam verwijst naar een zogenaamd succesvolle genezing van de gravin van Chinchon, de vrouw van de Spaanse onderkoning van Peru, in 1639.
De boom komt heden nog voor in het wapen van Peru.

(Bloeiwijze van de Cinchona pubesens met de kenmerkende aan de rand behaarde kroonblaadjes.)

De kinaboom groeit zelden als struik, meestal als boom. In de afgeplatte zijtoppen zijn de bladeren rechtopstaand en op elkaar geperst. De kort aan de tak zittende steunblaadjes zijn tongvormig tot omgekeerd eirond met een brede kant aan het uiteinde.
De geurende bloemen zijn tweeslachtig en hebben een vijftallig dubbel bloemdek. De vijf kelkbladen zijn versmolten. De vijf gele, roze, paars naar rood of soms witte bloemblaadjes zijn versmolten tot steeltjes- of trechtervormig. De kroonholte is van binnen kaal of behaard en de bloemkroonbuis steekt vaak naar buiten uit. Er is een cirkel met vijf vruchtbare meeldraden aanwezig die niet of nauwelijks uit de bloemkroonbuis uitsteken. De korte meeldraden zijn kaal.

De geneeskrachtige werking komt uit de bast van de boom, hieruit worden bitter smakende verbindingen geproduceerd.
De verbindingen werden vroeger vooral gebruikt tegen malaria, en opgenomen in de middelen tegen koorts.
Niet alle soorten kinabomen bevatten evenveel werkzame stof.
De Nederlanders probeerden op Java de Cinchona calisia te laten groeien, terwijl de Britten in India probeerden om de Cinchona succiruba te cultiveren. In beide soorten bleek de concentratie van het werkzame bestanddeel te laag om de winning economisch te maken. Toch bleef het van medisch belang.

Chemische structuur van kinine.)


Tijdens de WO-II werden veel van de Indische kinaboomplantages door het Japanse leger verwoest hierdoor werd het zoeken naar synthetische vervangers versterkt. Cloroquine was een van de eerste synthetische vervanger. Tegenwoordig is het als Nivaquine in de handel.


zaterdag 4 november 2017

ZEESLAG BIJ JUTLAND OF HET SKAGERRAK - 1916.

TREFFEN TUSSEN TWEE GROOTMACHTEN OP ZEE, IN DE BELANGRIJKSTE ZEESLAG UIT WO-I

HEDEN.

Op 31 mei 2016 vond in Kirkwall, op de Britse Orkney-eilanden, een herdenking plaats in het bijzijn van de  Duitse president Joachim Gauck en de Britse prinses Anna Mountbatten-Windsor en vertegenwoordigers van beide zeestrijdkrachten, voor de 6.094 Britten en 2.551 Duitse gesneuvelden marine mensen bij de Slag bij Jutland. Deze zeeslag staat bij de Duitsers meestal aangeduid als de Slag bij het Skagerrak. Deze zeeslag duurde van 31 mei 1916 tot 1 juni 1916.

WAT ER AAN VOORAF GING.

De Britten die betrokken raakten bij de grondoorlog in Europa van 1914-1918, blokkeerden de Duitse havens om te voorkomen dat de Duitsers zich konden bevoorraden over zee.
De Duitsers wilden uit de blokkade uitbreken, maar wisten dat ze bij een grote zeeslag tussen beide complete vloten vrijwel kansloos waren.
Hun verlangen om een confrontatie met de volledige macht van de Britse 'Grand Fleet', met een vloot van 160 schepen en de thuishaven te Scapa Flow, uit de weg te blijven kwam tot uiting in het operatieplan, dat de staf van de Duitse 'Hochseeflotte', met een vloot van 99 schepen en als thuishaven Wilhelmshaven, eind april/ begin mei begon uit te werken.
Dit plan voorzag in een verrassend artilleriebombardement op de Engelse stad Sunderland gelegen in het graafschap Tyne and Wear, dat echter alleen zou worden uitgevoerd als men kon beschikken over Zeppelins voor luchtverkenning, Zouden zij niet beschikbaar zijn, dan achtte men de risico's van een stoot in de richting van de Engelse oostkust te groot en voor dat geval werd een onderneming in de noordelijke richting voorbereid, waarbij de slagkruisers en een eskader lichte kruisers in het Skagerrak zouden verschijnen.

Men hoopte dat de Britten een deel van de 'Grand Fleet' op dit 'lokaas' al zouden zenden en dat het mogelijk zou zijn om dat deel als het ware tussen twee vuren te nemen, door het aan te vallen met de slagkruisers en lichte kruisers en de rest van de ; Hochseeflotte', die ook, maar later zou uitvaren.
Bij de uitvoering van beide plannen wilde men gebruik maken van onderzeeboten, die geposeerd werden in de nabijheid van de Britse hoofdbasis Scapa Flow, van de Firth of Forth, waar de 'Battle Cruiser Fleet', het verkenningsorgaan van de 'Grand Fleet' gebaseerd was, en van de Humber.

Door haar zeer effectieve luister- en decoderingsdienst, bekend staand als Room 40", was de Admiralty sinds ongeveer 20 mei op de hoogte van de aanwezigheid van deze onderzeeboten in het noordelijke deel van de Noordzee en kon zij spoedig daarop de conclusie trekken dat die aanwezigheid in verband stond met een Duitse vlootactie. In de namiddag van 30 mei wist zij voldoende, onder meer was de order aan de 'Hochseeflotte' om 's avonds stoomklaar en gereed te zijn voor actie te verzamelen onderschept en ontcijferd, om aan admiraal Sir John Jellicoe, opperbevelhebber van de 'Grand Fleet' en aan vice-admiraal Sir David Beatty, opperbevelhebber van de 'Battle Cruiser Fleet', order te geven om die nacht met hun onder bevel hebbende strijdkrachten in zee te gaan en in de Noordzee, ter hoogte van Aberdeen, te verzamelen. 


DE VLOTEN.




'GRAND FLEET'.

Commandanten; Beatty en Jellicoe.

Vlootsterkte: 28 slagschepen; 9 slagkruisers; 8 zware kruisers; 26 lichte kruisers; 78 torpedobootjagers; 1 mijnenveger; 1 vliegdekschip.
Kanonkaliber: maximaal 381 mm.










'HOCHSEEFLOTTE'.

Commandanten: Hipper en Scheer.

Vlootsterkte: 16 slagschepen; 5 slagkruisers; 11 lichte kruisers; 61 torpedoboten; 6 pre-dreadnought slagschepen.
Kanonkaliber: maximaal 305 mm.
De vloot was uitgerust met nauwkeurige optische afstandsmeters en hadden de schepen een betere compartimentering waardoor hun munitiemagazijnen minder kwetsbaar waren.

DE ZEESLAG.

(Alle genoemde tijden zijn Greenwich Mean Time.)

Het vertrek van de Britse vloot en hun opmars verliep zonder noemenswaardige incidenten: omstreeks 11 uur in de avond waren alle 150 schepen van de 'Battle Fleet', gecommandeerd door Jellicoe, en de 'Battle Cruiser Fleet' in zee. zonder door de U-boote te worden gehinderd.

('Grand Fleet'.)

Het was de bedoeling dat Jellicoe en Beatty te 14.00 uur in de namiddag van 31 mei respectievelijk om de Zuid en om de Noord zouden stomen om vervolgens, na rendez-vous te hebben gemaakt, op te stomen in de richting van het lichtschip 'Horns Rev", op welke route men vijandelijke strijdkrachten hoopte te ontmoeten.





('Hochseeflotte'.)

De Duitsers hadden intussen definitief besloten om in verband met de weersomstandigheden de 'Sunderlandplan' op te geven; de eerste en tweede 'Aufklärungsgruppen', onder bevel van vice-admiraal Franz von Hipper, staken te 01.00 uur in de morgen in zee, anderhalf uur later gevolgd door de rest van de 'Hochseeflotte', onder directe leiding van haar opperbevelhebber, vice-admiraal Reinhard Scheer.
In totaal voeren als directe deelnemers aan deze operatie 99 Duitse schepen uit.




 Links een schets van de drie opvolgende fases van de slag bij Jutland:

a. de ontmoeting van de slagkruisers;
b. de ontmoeting tussen de slagvloten;
c. de nachtelijke doorbraak van de Duitsers;

1. 'Lützow';
2. 'Wiesbaden';
3. 'Pommern';
4. 5.6. 'Frauenlob', 'Rostock', 'Elbing';

I. Índefatigable';
II. 'Queen Mary';
III. 'Warspite';
IV. 'Invincible'.






(Ondergang van de 'Queen Mary'.)

Op 31 mei te 14.15 uur ging Beatty met de 'Battle cruiser Fleet' op Noordkoers, maar vrijwel onmiddelijk daarop kreeg de stuurboordsvleugel van zijn kruiserscherm voeling met de bakboordsvleugel van het scherm van Hipper.
Hierop ontspon zich een lopend artilleriegevecht, begeleid door aanvallen van de torpedobootjagers van beide partijen.
Dit gevecht verliep voor de Britten ongunstig: de slagkruisers 'Indefatigable' en 'Queen Mary' vlogen in de lucht. Toen vier snelle slagschepen van het 'Fifth Battle Squadron', die tijdelijk bij de 'Battle Cruiser Fleet' waren ingedeeld het vuur konden openen, liet zich echter meer de Britse overmacht, 4 slagschepen en 4 slagkruisers tegenover 5 Duitse slagkruisers, zich voelen.


(Hipper's vlaggeschip 'Lützow'.)

Te 16.33 kreeg het tweede Britse lichte-kruisereskader, dat voor Beatty uit verkende, zicht op de Duitse hoofdmacht.
Hierop ging Beatty met de gehele 'Battle Cruiser Fleet' op Noordkoers om de Duitsers naar de 'Battle Fleet' te lokken. Dit gelukte en Jellicoe slaagde er , ondanks het slechte zicht in om zijn slaglinie zodanig te formeren dat deze, toen men rond 18.30 uur zicht op de Duitsers kreeg, ten opzichte van hen in de artilleristisch zeer gunstige crossing-the-T'-positie stond.


('Invincible' vlaggenschip van schout-bij-nacht H.L.A. Hood.)

Even te voren had nog een scherp gevecht plaats tussen het 3e Britse slagkruiseskader, dat tijdelijk bij de 'Battle Fleet' was ingedeeld, en schepen aan spits van de Duitse linie. Verscheidene van die schepen, waaronder het vlaggenschip van Hipper, de 'Lützow' die later moest worden verlaten, kregen treffers; de 'Invincible' het vlaggenschip van eskadercommandant schout-bij-nacht Hood, vloog in de lucht.

Toen de Duitsers zicht kregen van de Britse slaglinie trachtten zij zich onmiddellijk aan de confrontatie met haar te onttrekken door het uitvoeren van een 'Gefechtskehrtwendung' die hen op tegenkoers bracht, waarna zij uitweken in zuidwestelijke richting.
Te 18.55 uur liet Scheer echter opnieuw, de motieven waarom hij dit deed zijn nooit helemaal duidelijk geworden, een tweede 'Gefechtskehrtwendung' uitvoeren. Hierdoor kreeg de spits van de Duitse linie tegen 19.10 uur opnieuw vuurcontact met Jellicoe's slagschepen en kort daarna ook met de Britse slagkruisers. Spoedig daarop werd duidelijk dat de Duitse spits in groot gevaar was gekomen en om haar vernietiging te behoeden liet Scheer een derde "Gefechtskehrtwendung' uitvoeren, terwijl hij bovendien de jagers, die aan de spits voeren, order gaf om met torpedo's aan te vallen.


(Britse vloot bij Jutland.)

Dit had tot resultaat dat de Britten divisie-, c.q. eskadergewijs, afdraaiden en daardoor de vijand opnieuw uit het oog verloren.
Zodra het torpedo gevaar geweken was stuurden zij zuidelijk en vervolgens westelijk te koersen op opnieuw voeling te krijgen en tot zonsondergang was er nog intermitterend vuurcontact tussen Britse en Duitse verbanden; de strijd werd echter niet meer algemeen.
Jellicoe wenste een nachtgevecht te vermijden vanwege de risico's die dat meebracht en omdat hij vertrouwde dat hij gedurende de duisternis tussen de vijand en diens bases zou kunnen blijven en hem zo in de ochtend opnieuw tot de strijd zou kunnen dwingen.


('Seydlitz' zwaar gehavend terug in Wilhelmshaven.)

Scheer is er echter in geslaagd om zich omstreeks middernacht door de Britse achterhoede heen te slaan, overigens niet zonder verliezen. 
Tegen 04.00 uur in de morgen werd het Jellicoe duidelijk dat Scheer hem was ontsnapt. Hij kon toen niets anders doen dan nog enige uren tevergeefs, zoeken naar achtergebleven Duitse schepen en vervolgens met de 'Grand Fleet' naar haar bases terug te keren.


EEN TRIEST RESULTAAT.

In deze zeeslag verloren de Britten 3 slagkruisers, 3 pantserkruisers en 8 jagers; de Duitsers 1 oud slagschip, 1 slagkruiser. 4 lichte kruisers en 5 jagers.
De Britse personeelsverliezen bedroegen meer dan het dubbele van de Duitse; 6097 tegenover 2551 doden.
Het aantal ernstig beschadigde Duitse schepen was echter veel groter.
Ook is geen twijfel mogelijk dat de Britten de hegemonie in de Noordzee, die het hun mogelijk maakte om Duitsland te blokkeren, in deze slag handhaafden en bevestigden. Eveneens is zeker dat de uitslag van dit gevecht de Duitsers allesbehalve heeft aangemoedigd om het nog eens tot een krachtmeting met de 'Grand Fleet' te laten komen.
Vrijwel onmiddellijk na deze zeeslag ontstond in Groot-Brittannië een controverse over het gevoerde beleid door Beatty en Jellicoe.

DREADNOUGHT.

 Dreadnought vertaald in het Nederland beteken 'onvervaard'.
Het was een type slagschip dat in het begin van de 20e eeuw door diverse zeevarende naties is gebouwd. De naam is afgeleid van het eerste type de Britse HMS Dreadnought.
Tot aan het begin van de 20e eeuw hadden pantserschepen meerdere kalibers geschut, die volgens de gewoonte, zoals bij de houten linieschepen, opgesteld weren waren op meerdere dekken en door geschutpoorten in de romp vuurden.
Met de bouw van de USS Monitor werden de voordelen van een draaiende geschuttoren gedemonstreerd. Bij de nieuwere marineschepen werden aan dek twee tot vier kanonnen van een zwaarder kaliber toegevoegd, verdeeld over twee draaibare geschuttorens, een voor en een achter de brug. 
De HMS Dreadnought, met een turbine voortstuwing en een snelheid van 21 knopen, was het eerste slagschip dat was bewapend met 10 kanonnen van 12 inch in 5 dubbeltorens.
De wapenwedloop op zee kreeg hiermee een nieuwe impuls.