vrijdag 14 juli 2017

VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 1)

ZE ZIJN ER IN 

VERSCHILLENDE SOORTEN 

EN MATEN OP HET WATER. (1)



BAGHLA.

Baghla, ook baghala, baggala is een Arabisch koopvaardijschip van het type dhow voor de vaart in de Rode Zee, langs de zuidkust van Arabië en de westkust van India, in de Arabische Golf en de Golf van Oman.
De romp is gladboordig gebouwd. Er is een lange, rechte, sterk vallende voorsteven en een achterschip met kasteel en fraai gebeeldhouwd hakkeboord, dat in vorm en bewerking sterk aan de Europese hakkeboorden uit de 17e en 18e eeuw herinnert.
Men neemt aan dat deze vorm en versiering ontstaan zijn door de invloed van de Portugese expeditieschepen uit de 16e eeuw en later.
De baghla heeft een doorlopend dek. In de 19e eeuw werd zij ook bewapend voor oorlogsdoeleinden. Zij voerde dan 50 stukken geschut.
Het tuig bestaat uit twee masten die setiezeilen dragen.
De grote mast staat midscheeps, de bezaansmast ter hoogte van het achterkasteel. De zeilen zijn niet voorzien van riffen, want zij worden indien nodig door een kleiner stel vervangen. Er kon ook een fok worden bijgezet.
Deze schepen hadden steeds een grote bemanning die meestal uit deelgenoten bestond. In de eerste helft van de vorige eeuw werden nog baghla's gebouwd in de haven van Soer (Oman), maar omstreeks 1940 waren er waarschijnlijk geen vijftig meer in de v aart.
Afmetingen: lengte 100 tot 140 voet; breedte 20 tot 28 voet; holte 11,5 tot 18 voet. Tonnenmaat: 100 tot 400 ton.
De Indiase kotia lijkt heel veel op de Arabische baghla, evenals de ghunja of ganja, een in India ook veel voorkomend scheepstype.

BALANCELLA.

1. Vissersvaartuig en kustvaarder van de noordwestelijke Middellandse Zee. Hoorde oorspronkelijk thuis in Napels en ontwikkelde zich als vissersvaartuig en kustvaarder van de Ligurische kust.
Ken merkend waren de rechte, lichtvallende voor- en achtersteven, scherp voor- en achterschip en een matige zeeg.
De romp was geheel gedekt. De verticale mast voerde een latijnzeil of een setiezeil met een fok die op een boegspriet voer.
De vissersbalancella viste in span met een net dat bilancia werd genoemd.
Afmetingen: lengte 30 voet 6 duim tot 39 voet 3 duim; breedte 7 voet 4 duim tot 13 voet 1 duim; holte 2 voet 4 duim tot 3 voet 9 duim. Voor de kustvaartbalancella: lengte 65 voet 6 duim; breedte 14 voet 2 duim; holte 6 voet 6 duim.

 (Een van de vele varianten van dit soort schip, de Spaanse balancella.)


2. De Franse ballancelle was voor en achter ook scherp gebouwd, had een gebogen voorsteven, waarvan de hoge kop achterwaarts helde, en een rechte achtersteven. Het boord was verhoogd door een open verschansing.
Achter de voorplecht bevond zich een aantal roeibanken voor een twintigtal roeiers, maar ze werden ook gezeild.
Er bestonden eenmast- en tweemasttypen. In het laatste geval helde de grote sterk naar voren, de bezaansmast in mindere mate. beide masten voerden een latijnzeil.
De ballencele werd ook als bewapend schip gebruikt waarvoor een boegstuk in het voorschip geplaatst werd. De Franse balancelle had een lengte van ongeveer 25 meter.

3. De Spaanse balancella komt als kust vaarden nog wel een voor in de havens van Barcelona, Valencia en Palma. Zij varen op Algerije, Marseille en ook naar Atlantische havens. Enkele wagen zelfs de oversteek naar de Antillen.
Oorspronkelijk waren het voor- en achterschip scherp, maar men bouwt nu ook ijzeren balancea's met rond, overhangend of vierkant achterschip. De ouder typen hadden een gebogen voor- en achtersteven, de laatste aanmerkelijk naar binnen gebogen. Het roer was eveneens gebogen en vissend. Behalve de gewone kiel waren er nog twee zijkielen dicht bij de kim om het stranden op een rotsachtige kust mogelijk te maken. Een soort zetboord dat op het voorschip begon liep over het gehele schip, over net achterschip naar buiten en vormde daar een gedekte uitbouw.
De tuigage bestond uit twee masten, de voorste sterk naar voren vallend, de achterste in mindere mate naar achteren. Beide voerden een latijnzeil. De schoot van het achterste zeil liep over een papegaai. De fok voer op een lange boegspriet.
Afmetingen: lengte 40 tot 60 voet; breedte 11  6 duim tot 15 voet 8 duim; holte 4 voet tot 4 voet 9 duim.


BARCO.

1. Brazilaanse kustvaarder van Bahia. Draagvermogen: 20 tot 120 ton. Afmeting 26 tot 62 voet.
Verschillende Portugese vaartuigen worden eveneens barco genoemd:



2. Barco de Ilhavo, open platboomd vissersvaartuig afkomstig uit Ilhavo. Men vist er mee tussen Kaap Roca en Kaap Espichel op sardinen.
Het heeft een oplopende voor- en achtersteven en een gedekt voorschip. Alhoewel het vaartuig meestal geroeid wordt voert het ook een midscheepse mast met een latijnzeil.
Het type lijkt sterk op de varrinho, een vaartuig dat eveneens voor de visvangst langs de Portugese kust wordt gebruikt.

3. Barco moliciero, een platboomd vaartuig voor het vervoer van zeewier op de meren van Aveiro (Portugal).


( Barco moliciero.)

Ook werd er zout mee verscheept en dan werd het vaartuig barco saliero genoemd.
Het platte vlak loopt in een uitgesproken lepelboeg omhoog. 
De bovenkant van het voorschip  buigt in een korte bocht naar achteren, maar is met een scharnier vastgezet, zodat dit deel neergeklapt kan worden voor de doorvaart onder bruggen. De achtersteven is matig gebogen. De boorden zijn recht en vallen open. Het lage vrijboord kan door een zetboord worden verhoogd.
In het voorschip is een korte plecht. Het vaartuig wordt geroeid, geboomd of gezeild. In het laatste geval wordt een mast met een loggerzeil gebruikt. Grotere schepen voeren bij gelegenheid een tweede mast.
Afmetingen: lengte 36 tot 47 voet 8 duim; breedte 7 voet 8 duim tot 8 voet 1 duim; holte 2 voet 3 duim tot 2 voet 7 duim. Draagvermogen 2 tot 2,5 ton.
De barco saliero heeft de volgende afmetingen: lengte 60 voet; breedte 8,5 tot 9 voet. Draagvermogen 18 tot 20 ton.


4. Barco poveiro, is een kleine open vissersboot voor de kustvisserij, afkomstig van Povao de Varzim.
In kalm water wordt de boot geroeid; anders wordt in het voorschip een licht vallende mast geplaatst, getuigd met een latijnzeil.
Dergelijke boten worden ook voor de sardinenvisserij gebruikt en dan sardinheira genoemd.


BARCO RABELLO.



(Barco rabello het Portugese wijnschip van de Douro.)


5. Barco rabello, is een vrachtvaartuig vooral bestemd voor het vervoer van portowijn langs de snelstromende rivier de Douro.
De schepen zijn uit dennenhout gebouwd en, wat uitzonderlijk is in Portugal, overnaads beplankt.
De bodem van het schip is vlak, zonder kiel, maar gaat met ronde kimmen in het boord over. het voorschip loopt in een lepelboeg op en is voorzien van een steven. ook het achterschip loopt in een lepelboeg op, maar heel hoog boven het dek en eindigt in een kleine spiegel die een grote dol voor een stuurriem draagt.


Het voorschip is gedekt en in het achterschip bevindt zich een kleine overdekte roef.
Het vrijboord kan door middel van een zetboord worden verhoogd. Nabij het achterschip staat een stuurinstelling die ongeveer 4 meter hoog is.
Hierop staat de roerganger die een licht S-vormige stuurriem van 10,5 meter lengte bedient. deze riem ligt op de bovenkant van de achtersteven; ze is aan de stuurzijde geballast.
Deze wijze van sturen laat toe het vaartuig zeer nauwkeurig te varen en korte bochten te laten beschrijven in de stroomversnellingen. Tevens kan de roerganger vanaf de stuurinstelling over de deklading vaten heen kijken.
De barco rabelo voert ook een eenmasttuig met een rechthoekig razeil, dat alleen bij achterlijke wind gebruikt wordt. In andere omstandigheden wordt het vaartuig gejaagd door de bemanning of door ossen, of wordt een gunstige wind afgewacht.
Afmetingen: lengte 60 voet; breedte 12 voet; holte 4 voet. Lading: 45 tot 50 vaten wijn of 22 tot 25 ton. Het vrijboord bedraagt dan slechts 5 duim.

(Een soortgelijke stuurmethode wordt ook in China gebruikt op de Yangtze Kiang voor het voeren van de wai-p'i ku ch'uan of kromsteven jonk.)


BARGE.

 (Barge uit 1796 van het kanaal Gent-Brugge.)


Barge, ook baardse, bargea, barke een scheepsbenaming die in verschillende talen in meerdere schrijfwijzen wordt aangetroffen zonder dat er een juiste omschrijving van gegeven kan worden.
In de 14e en 15e eeuw komt de benaming in geschriften herhaaldelijk voor om er een roeivaartuig van gemiddelde grootte mee aan te duiden.
Het woord wordt eveneens gebruikt als synoniem van vaartuig, sloep. Trekschuiten werden ook met de benaming barge aangeduid. Van omstreeks 1613 tot op het einde van de 19e eeuw voer tussen Gent en Brugge een dergelijke barge, een grote trekschuit voor passagiersvervoer die gejaagd werd door middel van twee paarden, terwijl bij gunstige wind een gaffeltuig bijgezet werd.
het was een vaartuig met vlakke bodem en rond voorschip, dat versierd was met een stevenfiguur.
Het achterschip had een vlakke spiegel, waarboven een versierd open hek.
Boven het berghout was het boord voorzien van ramen die het passagiersverblijf onder dek verlichten. Passagiers konden ook op dek verblijven. Op het achterschip was een soort zonnetent opgericht. 
De dienst met de dagbarges werd gestaakt op 1 oktober 1838. Dit was het gevolg van de ingebruikneming van de spoorwegverbinding Gent-Brugge-Oostende. De nachtbarges bleven nog varen. In 1908 werd de laatste barge voor de sloop verkocht.
In de 19e eeuw bestond onder meer een bargedienst Amsterdam/Den helder. De Groninger bargeboot verzorgde het passagiersvervoer op de waterwegen in de provincie Groningen.
In Engeland heeft de barge de meer algemene betekenis± lichter, bak, aak.


BARINHO.

Ook wel barino genoemd, is een Portugees vracht/ en vissersvaartuig van de rivier de Taag.
Een slank vaartuig met vlakke bodem, hoekige kimmen en openvallend boord, scherp voor/ en achter, met gebogen stevens die met de uiteinden hoog boven het boord uitsteken.
Het heeft een matige zeeg alhoewel een hoge kop. het vrijboord kan door middel van een zetboord verhoogd worden.
De romp is voor en achter gedekt, open in het midden. In dit ruim bevinden zich een zware mastbank en uitneembare doften, ten hoogte 15.
De mast valt sterk naar achteren en voert een latijnzeil dat meestal rood of geel getaand is.
Tijdens het zeilen wordt een los zijzwaard gebruikt. het vaartuig heeft een zwaar roer met lange hak dat door middel van een juk en takels bediend wordt.
Afmetingen: lengte 20 meter; breedte 3,8 meter; holte 1,10 meter.


      Zie vervolg:  VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 2)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen